menu

Verslavend

In de nacht klonk door het open raam de roep van een uil, twee uilen. Of was er een mens in nood? Je dacht aan de buurvrouw twee huizen verderop. Aan hoe je haar moest redden, of je degene die naast je sliep daarbij moest betrekken. Toen verdween het menselijke uit het roepen in de nacht, was er de zekerheid van een uil. Het was prachtig, je ging er eens goed voor liggen, zei, ‘Hoorde je dat?’, maar degene naast je hoorde niets. Later zocht je het op, uilen gaan in december al een nestgebied uitzoeken. Het mannetje begint luid te roepen als hij een plek vindt waar muizen zijn. Achter in de tuin bij de composthoop leven genoeg muizen om een uilenfamilie te onderhouden. Een uil is net zo slim als een boer die op het land dat hem moet voeden gaat wonen. Het tot zijn territorium maakt met hekken en tractor geraas, zo roept de uil luid zijn onzichtbare omheining in het rond.

‘Het gezang buiten wordt luider en lijkt nu als een lasso om ons heen te slaan. Ik kan het niet laten de tent een stukje open te ritsen. De stem blijft zingen en sterft dan weg. Even later zwelt het lied weer aan, op een andere plek, meer vanuit de kant waar de aalscholvers nestelen.’ Dit schrijft Miek Zwamborn in Onderling, Langs de kustlijn van Mull. Ze viert Kerst met haar vriend R. op een afgelegen strand. Vanuit Knockvologan, waar ze sinds 2016 woont, zijn ze in twee uur naar het strand gelopen. Ze bouwden een tent, maken vuur om hun ‘driegangenmenu’ op te warmen. Tegen de ochtend worden ze wakker van gezang, denken aan ‘fairies’, aan bos-, moeras- of zeegeesten. Ze ritsen voorzichtig de tent open, het gezang verplaatst zich. Er is het schijnsel van een lamp, dan een visser die zijn fuiken binnenhaalt, en de stem van een radiopresentator die iedereen een zalig kerstfeest wenst. ‘R. en ik laten ons schaterlachend terug op de mat vallen.’

Hier is het bijna Kerstmis. Er moet van alles gedaan. Je maakt lijstjes, schuift met de tijd, kijkt naar de stapel boeken op de grond. Voor elk gelezen boek, kocht je drie nieuwe. Je reisde in een week twee keer naar Amsterdam, bezocht de boekhandel op het Spui, kocht daar Onderling van Miek Zwamborn. Nu ben je steeds op weg naar de bank, om dat ene boek te pakken. Een neerslag van hoe Zwamborn zich tot het eilandleven verhoudt, het eiland tot haar. ‘Het veen eigende zich een onderbeen toe (stelde zich tevreden met een kaplaars), een rotsspleet deed me bijna voorgoed verdwijnen en in een van de beken loste ik nagenoeg op.’

Dit boek is reden genoeg om uit de dag te stappen. Je bekijkt foto’s, tekeningen, leest een gedicht, de brieven die Zwamborn schreef aan kunstenaars en dichters die zij bewondert. Ze schreef aan Rosa Luxemburg, geïnspireerd door een brief in het brievenboek van Luxemburg, geschreven in 1917 vanuit de gevangenis waar ze toen verbleef. Zwamborn schrijft:
‘Lieve Rosa, / Wat klink je uitgelaten. Zijn er veel dagen als die je beschreef? Na het lezen van je brief heb ik Wagners Die Meistersinger von Nünberg afgespeeld en ik begrijp nu hoe het lied je naar de zomer voerde.’ Om Rosa dan te vertellen over de stand van zaken op het eiland, de windhozen, boompjes die gepland zijn. Hoe schrijvers over eeuwen heen een inspiratiebron zijn, zo inspireert dit boek uit te kijken naar een eiland.

Je kijkt naar de afbeelding van een ‘urinewiel’. ‘Ooit getekend door een dynastie van artsen op het eiland die hun eigen onderzoek vastlegden. ‘Aan de hand van kleur, geur en smaak van urine dacht men de kwaal van de desbetreffende patiënt te kunnen vaststellen.’  Zwamborn vond het in een vademecum. Ze dacht terug aan het moment dat haar inwijding in de eilandcultuur moet zijn geweest.

Dat was in de eerste maanden van haar verblijf op Mull, ze was uitgenodigd door een van de dichters van The Ross of Mull Poets. De dichter, een man van in de tachtig, liet haar die middag zijn werk zien, ‘(…) in houten panelen gekerfde gezichten en op doeken geborduurde verzen waaromheen hij uit stof geknipte en geschilderde dieren gerangschikt had.’ Bij het afscheid stak de dichter haar een twee liter melkpak gevuld met een gelige vloeistof, of ze die wilde afgeven bij zijn vriendin. ‘Sue (…) nam snel het vocht in ontvangst terwijl ze wel drie keer een excuus mompelde.’ Toen begreep Zwamborn wat de inhoud van het melkpak was: ‘vloeibaar goud waarmee je reusachtige frambozen kunt opkweken en nog veel meer.’

Tijdens het lezen werd je een gevoel van perfectie, van in het moment zijn, gewaar. Je kijkt de tuin in, denkt, je zou het hier moeten toepassen. De toewijding, de waarnemingen, het lezen van het landschap. Je voelt een mengeling van jaloezie, een soort heimwee naar iets dat je gekend hebt maar vergeten moet zijn. Dit boek is de weerslag van een nimmer aflatend verkennen van een leefomgeving. Het onderzoekende, het creëren, het commitment, het maakte je op een prettige manier sprakeloos. Wat een prachtig, verslavend boek.